Internationale Gebrauchshunde Prüfungsordnung


Speuren (afd. A)

Bij het speuren maken we gebruik van een zeer goed ontwikkeld instinct van de hond: zijn reukvermogen.
Elke hond doet middels zijn uitzonderlijk ontwikkelde neus een schat aan informatie op. Hij doet dit dus van nature en met veel plezier.

Speuren als onderdeel van het IGP-programma vraagt echter veel van een hond. Hij moet namelijk zelfstandig werken. Het uiteindelijke doel is namelijk dat een hond zelfstandig op 10 meter van de geleider een spoor uitwerkt, waarin minimaal twee hoeken en twee voorwerpen zijn verwerkt.
De hond moet bij de aanzet (bij een piketpaaltje) de geur opnemen en die vervolgens het hele spoor onthouden. Hij mag niet van het spoor afwijken.

Appel (afd. B)

Thuis, in het verkeer, op het speurveld en zeker tijdens het manwerk: een hond moet altijd commando‘s van zijn geleider opvolgen. U leert tijdens het onderdeel appel de hond gehoorzaamheidsoefen- ingen.

Er wordt in eerste instantie toegewerkt naar VZH (Verkeerszekere Hond), als startbewijs voor IGP-1, 2 en 3. VZH bestaat uit een praktijkgedeelte, waarbij wordt getest hoe sociaal de hond is. Hoe reageert hij op bijvoorbeeld het passeren van een fietser, jogger of andere honden? Ook wordt gekeken hoe de hond reageert als hij voor korte tijd wordt achtergelaten of door meerdere personen wordt ingesloten.

Manwerk (afd. C)

Manwerk Is het spectaculairste onderdeel binnen het IGP-programma. De buitenwereld kijkt hier echter vaak onterecht met afwijzende blik naar. Met name de agressie die bij de hond en pakwerker vrijkomt, schrikt veel mensen af. Onbekend maakt nu eenmaal onbemind. Wij leggen graag uit hoe het werkelijk zit.

Van teckel tot pitbull: iedere hond kan bijten. Wij leren onze honden met manwerk om bewust om te gaan met hun tanden (verdedigingswapens) en wel onder extreme dreiging van stem en stok.
De hond moet over een hoge dosis moed beschikken, om hier weerstand tegen te bieden. Waarom? Voor een werkhond is het belangrijk dat hij drift heeft, zelfverzekerd is en belastbaar is.



Foto: Marc Molthoff


Foto: Ron Baltus


Foto: Onbekend

Spoorvastheid
Het onthouden van het spoor noemen we spoorvastheid en het zuiver uitwerken van het spoor noemen we spoorzuiverheid. Dat vraagt veel training, omdat er verschillende omstandigheden zijn die het voor de hond moeilijk maken een spoor uit te werken. Het weer bijvoorbeeld. Bij felle zon verdroogt het spoor en regen wist daarentegen weer geuren weg. Ook wind kan voor oriëntatieproblemen zorgen.
Een andere moeilijkheidsfactor is de ondergrond (weiland, zand of akker) waarop wordt gespeurd.

Spoor uitleggen
Op wedstrijdniveau wordt een spoor door speciaal opgeleide spoorleggers uitgelopen. Het spoor moet afhankelijk van het niveau een tijd liggen voor de hond dat mag uitwerken. Deze tijd varieert van 30 minuten bij IGP-1 tot 3 uur bij SpH-2 (Speurhond). Tijdens het uitwerken moet de hond diverse voorwerpen verwijzen. Dit kunnen stukjes hout, (kunst)leer of textiel zijn. De afmetingen van deze voorwerpen zijn 10cm x 3,5cm x 1cm.

Er wordt op vijf verschillende niveaus gespeurd: IGP-1, IGP-2, IGP-3, SpH-1 en SpH-2. Alleen bij een IGP-1 spoor loopt de geleider zelf het spoor uit, daarna wordt dat door een spoorlegger gedaan. De lengtes van de sporen variëren van 300 pas (IGP-1 en 2), 600 pas (IGP-3), 1.200 pas (SpH-1) tot 1.800 pas (SpH-2).

IGP programma
Met de gehoorzaamheidsoefeningen moet de hond middels een vast programma enkele oefeningen correct en strak uitvoeren. Voorbeelden hiervan zijn: de geleider volgen, gaan zitten, gaan liggen, door een groep volgen, in versnelde en langzame pas volgen en afliggen met afleiding. Er is slechts één commando toegestaan en de geleider mag niet belonen met stem of voer.

Deze oefeningen worden uitgebouwd naarmate de hond verder komt in zijn opleiding voor het IGP-programma.
Een IGP-3 hond moet ook nog de volgende oefeningen beheersen: vanuit looppas gaan staan, vooruit sturen om vervolgens direct op het commando af te gaan liggen en moet hij apporteren over de vlakke grond, de haag (1 meter) en schutting (1.80 meter).



    
Volle beet
Dat wordt bij dit onderdeel getraind en beoordeeld aan de hand van een goed opgebouwd trainingsprogramma. Pups worden vanaf het prille begin gejut met een juten zak/rol aan een touw, om het jachtinstinct en de buitdrift te ontwikkelen. De pakwerker leert de jonge hond blaffen om de buit te krijgen en er wordt langzaam toegewerkt naar een volle, vaste en zekere beet.
De hond wordt gestimuleerd om ‘het gevecht’ met de pakwerker aan te gaan en de buit te veroveren. De pakwerker laat de hond veelvuldig winnen, waardoor die steeds zelfverzekerder wordt. Pas dan wordt er voorzichtig belast met de stem, stok en lichaamshouding.

Drift
De driften nemen toe naarmate de hond ouder wordt. Dan spelen discipline en gehoorzaamheid een belangrijkere rol. Onze instructeurs leren de geleiders hoe ze controle houden over hun hond. Dat wordt zoveel mogelijk op een positieve manier gedaan. De beloning (bal/rol/mouw) wordt gebruikt om het gewenste gedrag te stimuleren. Toch is het soms ook nodig om een positieve correctie toe te passen: een bestraffing om het verkeerde gedrag af te leren. Onze ervaren instructeurs zien er op toe dat dit gedoseerd en juist wordt toegepast.


De volgende (deel-)certificaten kunnen behaald worden (vlnr):
  • VZH (Verkeerszekere hond)
  •               
  • IBGH-1 (Begeleidingshond 1)
  • IBGH-2 (Begeleidingshond 2)
  •               
  • IBGH-3 (Begeleidingshond 3)
  • UV (Uithoudingsvermogen)
  •               
  • IGP-V (voorselectie/voorexamen)
  • IGP-1 (voorheen IPO 1)
  •               
  • IGP-2 (voorheen IPO 2)
  • IGP-3 (voorheen IPO 3)
  •               
  • SpH-V Speurhond geschiktheid
  • SpH-1 Speurhond 1
  •               
  • SpH-2 Speurhond 2
  • IGP SpH Speurhond FCI
  •